Hoogtezones

Hoogtezones

In bergachtige gebieden veranderen het klimaat, de bodemeigenschappen, de flora en fauna naarmate je hoger komt.

Aardrijkskunde

Trefwoorden

zones, klimaat, klimaatzones, gebieden van vegetatie, bergketen, berg, koude zone, gematigde zone, tropische zone, bergen, sneeuwgrens, zonneschijn, kantelhoek, vegetatie, helling, neerslag, Foehn wind, luchtstroom, Natuurkunde, Aardrijkskunde, _javasolt

Gerelateerde items

Scènes

Klimaatzones

  • Noordpool
  • Noordpoolcirkel - Een bijzondere breedtecirkel op 66,5 °NB. Ten noorden van deze breedtecirkel is er elk jaar minstens één dag waarop de zon niet ondergaat en één dag waarop de zon niet opkomt.
  • Kreeftskeerkring - Een bijzondere breedtecirkel op 23,5 °NB. Het is de meest noordelijk gelegen breedtegraad waar de hoek van de zonnestralen 90° kan bereiken (wat eens per jaar gebeurt, op het moment van de zomerzonnewende op 22 juni).
  • Evenaar - De grootste breedtecirkel, op 0°.
  • Steenbokskeerkring - Een bijzondere breedtecirkel op 23,5 °ZB. Het is de meest zuidelijk gelegen breedtegraad waar de hoek van de zonnestralen 90° kan bereiken (wat eens per jaar gebeurt, op het moment van de winterzonnewende op 22 december).
  • Zuidpoolcirkel - Een bijzondere breedtecirkel op 66,5 °ZB. Ten zuiden van deze breedtecirkel is er elk jaar minstens één dag waarop de zon niet ondergaat en één dag waarop de zon niet opkomt.
  • Zuidpool

De aarde is rond. Daardoor vallen de zonnestralen onder een verschillende hoek op het aardoppervlak, wat leidt tot temperatuurverschillen op aarde. Vanaf de evenaar in de richting van de polen wordt de invalshoek van de zonnestralen geleidelijk lager. Op de evenaar is de maximale hoek van de zonnestralen 90°, dat wil zeggen dat ze loodrecht op het aardoppervlak vallen. Bij de polen kan deze hoek afnemen tot . Zo belandt er minder warmte van de zon bij de polen, waardoor het daar kouder is. Als gevolg van deze verschillende invalshoek van het zonlicht zijn er verschillende klimaatzones op aarde, namelijk tropisch, gematigd en polair.

De bodemeigenschappen, de flora en fauna, de waterkringloop en de oppervlaktevorming in een bepaald gebied worden fundamenteel beïnvloed door het klimaat. Op basis van zulke kenmerken wordt een indeling gemaakt in landschapszones (ook wel fysisch-geografische zones genoemd).

Hoogtezones (diagram)

  • m
  • 0
  • 1000
  • 2000
  • 3000
  • 4000
  • 5000
  • 6000
  • 7000
  • Tropische zone
  • Gematigde zone
  • Koude zone
  • Klimaatzones volgens breedtegraad
  • Hoogtezones
  • sneeuwgrens
  • 23,5°
  • 66,5°
  • 90°

De klimaataspecten waardoor de zones in de bergen worden bepaald, veranderen met de hoogte: de temperatuur daalt en de neerslag neemt over het algemeen toe naarmate je hoger komt. Door de temperatuurafname ontstaan er niet alleen horizontale klimaatzones, afhankelijk van de afstand tot de evenaar, maar ook verticale klimaatzones in de bergen. De bodem, oppervlaktevorming en flora en fauna zijn ook ingedeeld in zones. Dit worden hoogtezones genoemd.

Hoogtezones (vegetatie)

  • Tropische zone
  • Gematigde zone
  • Koude zone

De hoogte van de grenzen van de hoogtezones op een bepaalde berg hangt af van de geografische breedtegraad. De temperatuur aan de voet van bergen op een verschillende breedtegraad is niet hetzelfde. De laagste hoogtezone van een bepaalde berg komt overeen met die van de breedtegraad waarop de berg zich bevindt. Het aantal hoogtezones hangt af van de hoogte van de berg. Bergen in de buurt van de evenaar, dat wil zeggen op een lagere breedtegraad, hebben de meeste hoogtezones. Een voorbeeld is het noordelijke gedeelte van het Andesgebergte in Zuid-Amerika. Elke zone is te onderscheiden op basis van de sneeuwgrens, waarboven de grond het hele jaar door bedekt is met sneeuw, of op basis van de boomgrens, waarboven geen bomen meer kunnen groeien.

Temperatuurverandering

  • zuid
  • noord
  • zonnestraling

Hellingrichting

Net zoals de grenzen van klimaatzones op aarde niet parallel lopen met een specifieke breedtegraad, worden de grenzen van hoogtezones ook niet bepaald door een hoogtelijn. Ze worden beïnvloed door de topografie, de heersende winden en de berghellingrichting. Die laatste speelt een rol omdat de invalshoek van de zonnestralen anders is op de noord- en de zuidhelling van een berg. Aangezien de zonnestralen (op het noordelijk halfrond) de zuidelijke helling onder een grotere hoek raken, ontvangt de bodem daar een grotere hoeveelheid warmte per oppervlakte-eenheid. Als gevolg daarvan wordt de temperatuur er hoger.

Hoogte

De luchttemperatuur daalt met 1 °C per 100 meter stijging. Hoe kouder de lucht, hoe minder waterdamp hij kan bevatten. Als gevolg hiervan raakt de lucht bij afkoeling op een gegeven moment verzadigd met waterdamp. De temperatuur waarbij dat gebeurt, is het dauwpunt. Zo ontstaan er wolken, waaruit vervolgens neerslag valt, in de vorm van regen boven 0 °C en sneeuw bij temperaturen onder het vriespunt. Na het bereiken van het dauwpunt daalt de temperatuur van de verder stijgende lucht slechts met 0,5 °C per 100 meter. Dit komt doordat de lucht minder snel afkoelt door de warmte die vrijkomt bij het condenseren van de waterdamp. Nadat de lucht de bergtop heeft bereikt, daalt hij via de tegenoverliggende helling af, waarbij de temperatuur toeneemt met 1 °C per 100 meter daling. De opwarmende lucht kan meer waterdamp bevatten, maar de daadwerkelijke hoeveelheid waterdamp neemt niet toe. Daardoor is de lucht aan deze kant van de berg droger en warmer.

Animatie

  • Noordpool
  • Noordpoolcirkel - Een bijzondere breedtecirkel op 66,5 °NB. Ten noorden van deze breedtecirkel is er elk jaar minstens één dag waarop de zon niet ondergaat en één dag waarop de zon niet opkomt.
  • Kreeftskeerkring - Een bijzondere breedtecirkel op 23,5 °NB. Het is de meest noordelijk gelegen breedtegraad waar de hoek van de zonnestralen 90° kan bereiken (wat eens per jaar gebeurt, op het moment van de zomerzonnewende op 22 juni).
  • Evenaar - De grootste breedtecirkel, op 0°.
  • Steenbokskeerkring - Een bijzondere breedtecirkel op 23,5 °ZB. Het is de meest zuidelijk gelegen breedtegraad waar de hoek van de zonnestralen 90° kan bereiken (wat eens per jaar gebeurt, op het moment van de winterzonnewende op 22 december).
  • Zuidpoolcirkel - Een bijzondere breedtecirkel op 66,5 °ZB. Ten zuiden van deze breedtecirkel is er elk jaar minstens één dag waarop de zon niet ondergaat en één dag waarop de zon niet opkomt.
  • Zuidpool
  • m
  • 0
  • 1000
  • 2000
  • 3000
  • 4000
  • 5000
  • 6000
  • 7000
  • Tropische zone
  • Gematigde zone
  • Koude zone
  • Klimaatzones volgens breedtegraad
  • Hoogtezones
  • sneeuwgrens
  • 23,5°
  • 66,5°
  • 90°
  • Tropische zone
  • Gematigde zone
  • Koude zone
  • boomgrens - De bovengrens van het gebied waar nog bomen kunnen groeien.
  • sneeuwgrens - De ondergrens van de eeuwige sneeuw.
  • zuid
  • noord
  • zonnestraling
  • stijgende luchtstroom - De temperatuur van de lucht daalt met 1 °C per 100 meter hoogtestijging. Na het bereiken van het dauwpunt daalt de luchttemperatuur echter met maar 0,5 °C per 100 meter.
  • dalende luchtstroom - De temperatuur van de lucht neemt toe met 1 °C per 100 meter hoogtedaling.
  • wolkenvorming
  • condensatie
  • droog weer
  • 600 m = 22 °C
  • 2600 m = 2 °C
  • 3000 m = 0 °C
  • 4600 m = – 8 °C
  • 3000 m = 8 °C
  • 600 m = 32 °C
  • dauwpunt - De temperatuur waarbij de lucht verzadigd raakt met waterdamp en er dauw ontstaat.
  • föhn - Een droge valwind in de bergen.

Gesproken tekst

De aarde is rond. Daardoor vallen de zonnestralen onder een verschillende hoek op het aardoppervlak, wat leidt tot temperatuurverschillen op aarde. Vanaf de evenaar in de richting van de polen wordt de invalshoek van de zonnestralen geleidelijk lager. Op de evenaar is de maximale hoek van de zonnestralen 90°, dat wil zeggen dat ze loodrecht op het aardoppervlak vallen. Bij de polen kan deze hoek afnemen tot . Zo belandt er minder warmte van de zon bij de polen, waardoor het daar kouder is. Als gevolg van deze verschillende invalshoek van het zonlicht zijn er verschillende klimaatzones op aarde, namelijk tropisch, gematigd en polair.

De bodemeigenschappen, de flora en fauna, de waterkringloop en de oppervlaktevorming in een bepaald gebied worden fundamenteel beïnvloed door het klimaat. Op basis van zulke kenmerken wordt een indeling gemaakt in landschapszones (ook wel fysisch-geografische zones genoemd).

De klimaataspecten waardoor de zones in de bergen worden bepaald, veranderen met de hoogte: de temperatuur daalt en de neerslag neemt over het algemeen toe naarmate je hoger komt. Door de temperatuurafname ontstaan er niet alleen horizontale klimaatzones, afhankelijk van de afstand tot de evenaar, maar ook verticale klimaatzones in de bergen. De bodem, oppervlaktevorming en flora en fauna zijn ook ingedeeld in zones. Dit worden hoogtezones genoemd.

De hoogte van de grenzen van de hoogtezones op een bepaalde berg hangt af van de geografische breedtegraad. De temperatuur aan de voet van bergen op een verschillende breedtegraad is niet hetzelfde. De laagste hoogtezone van een bepaalde berg komt overeen met die van de breedtegraad waarop de berg zich bevindt. Het aantal hoogtezones hangt af van de hoogte van de berg. Bergen in de buurt van de evenaar, dat wil zeggen op een lagere breedtegraad, hebben de meeste hoogtezones. Een voorbeeld is het noordelijke gedeelte van het Andesgebergte in Zuid-Amerika. Elke zone is te onderscheiden op basis van de sneeuwgrens, waarboven de grond het hele jaar door bedekt is met sneeuw, of op basis van de boomgrens, waarboven geen bomen meer kunnen groeien.

Hellingrichting

Net zoals de grenzen van klimaatzones op aarde niet parallel lopen met een specifieke breedtegraad, worden de grenzen van hoogtezones ook niet bepaald door een hoogtelijn. Ze worden beïnvloed door de topografie, de heersende winden en de berghellingrichting. Die laatste speelt een rol omdat de invalshoek van de zonnestralen anders is op de noord- en de zuidhelling van een berg. Aangezien de zonnestralen (op het noordelijk halfrond) de zuidelijke helling onder een grotere hoek raken, ontvangt de bodem daar een grotere hoeveelheid warmte per oppervlakte-eenheid. Als gevolg daarvan wordt de temperatuur er hoger.

Hoogte

De luchttemperatuur daalt met 1 °C per 100 meter stijging. Hoe kouder de lucht, hoe minder waterdamp hij kan bevatten. Als gevolg hiervan raakt de lucht bij afkoeling op een gegeven moment verzadigd met waterdamp. De temperatuur waarbij dat gebeurt, is het dauwpunt. Zo ontstaan er wolken, waaruit vervolgens neerslag valt, in de vorm van regen boven 0 °C en sneeuw bij temperaturen onder het vriespunt. Na het bereiken van het dauwpunt daalt de temperatuur van de verder stijgende lucht slechts met 0,5 °C per 100 meter. Dit komt doordat de lucht minder snel afkoelt door de warmte die vrijkomt bij het condenseren van de waterdamp. Nadat de lucht de bergtop heeft bereikt, daalt hij via de tegenoverliggende helling af, waarbij de temperatuur toeneemt met 1 °C per 100 meter daling. De opwarmende lucht kan meer waterdamp bevatten, maar de daadwerkelijke hoeveelheid waterdamp neemt niet toe. Daardoor is de lucht aan deze kant van de berg droger en warmer.

Gerelateerde items

Klimaatzones

De aarde is verdeeld in geografische en klimatologische zones, die resulteren in de zonering van de vegetatie.

Aarde

De aarde is een rotsachtige planeet met een vaste korst en een atmosfeer die zuurstof bevat.

Atmosferische circulatie

Het verschil tussen de temperatuur van de polaire en equatoriale zones veroorzaakt atmosferische circulatie, welke wordt beïnvloed door een aantal factoren,...

Boslagen

De opbouw van bossen in verschillende boslagen hangt van het type bos af.

De baan van de Zon op de belangrijkste breedtegraden van de Aarde

De schijnbare dagelijkse baan van de Zon is het gevolg van de rotatie van de Aarde om haar eigen as.

De grove den

Een van de meest voorkomende bomen uit de dennenfamilie, inheems in Eurazië.

De vorming van wolken en neerslag, wolkentypen

Verdampend oppervlaktewater vormt wolken en valt in de vorm van neerslag terug op aarde.

Gletsjer (middelbaar niveau)

Een gletsjer is een uit sneeuw gevormde ijsmassa die zich langzaam en voortdurend beweegt.

Het geografisch coördinatensysteem (gemiddeld niveau)

Het geografisch coördinatensysteem maakt het mogelijk om elke locatie op de aarde exact aan te geven.

Lokale winden

De belangrijkste vormen van lokale winden zijn de aflandige zeewind, de berg-valleiwind en de valwind.

Reliëfkaart van China

Een animatie over het reliëf en de hydrografie van China.

Topografische kaart Hongarije

De animatie toont de landschappen en de hydrografie van Hongarije en het Karpatenbekken aan.

Aardrijkskunde

De animatie toont de grootste bergen, vlakten, rivieren, meren en woestijnen van de wereld.

De afkomst van gewassen en landbouwdieren

Onze gewassen en landbouwdieren zijn afkomstig uit verschillende gebieden op aarde.

Added to your cart.