Gletsjer (middelbaar niveau)

Gletsjer (middelbaar niveau)

Een gletsjer is een uit sneeuw gevormde ijsmassa die zich langzaam en voortdurend beweegt.

Aardrijkskunde

Trefwoorden

gletsjer, gletsjer stroom, gletsjerijs, ijs tong, snuit, sneeuwgrens, ijs, sneeuw, moraine, vallei, firn, smeltwater, water, verwarming, het smelten, Natuurkunde, Aardrijkskunde

Gerelateerde items

Scènes

Gletsjer

  • sneeuwlijn
  • firnbekken - Het gebied waar firn zich ophoopt.
  • gletsjer - Een grote ijsmassa die zich langzaam door valleien heuvelafwaarts beweegt.
  • glaciale stroom - Een waterloop die het smeltwater van de gletsjer afvoert.
  • ijstong - Het smeltende deel van de gletsjer dat zich onder de sneeuwlijn bevindt.
  • snuit - Het gebied waar de subglaciale stroom naar de oppervlakte komt.

Een gletsjer is een grote ijsmassa die zich langzaam en voortdurend heuvelafwaarts beweegt. Gletsjers worden boven de sneeuwlijn gevormd, waar door regelmatige sneeuwval de sneeuw zich in verschillende lagen ophoopt. De bovenste laag smelt door de zon en het water sijpelt de onderlagen in, waar het bevriest. Dit korrelige ijs wordt firn genoemd.
Door de hoge druk wordt de lucht er uitgedrukt en wordt het korrelige firn dichter, op deze manier wordt het een harde, ijzige sneeuwlaag, of eigenlijk een laag gletsjerijs, die er blauw uitziet. Deze laag begint dan heuvelafwaarts te glijden, en vormt zo een gletsjer.

De gletsjer breekt onderweg stukken rots af, en sleept brokstukken met zich mee die morene worden genoemd. Het puin dat zich aan de voet van de gletsjer ophoopt heet grondmorene. De gletsjer slijt het rotslandschap langzaam uit, en maakt op deze manier U-vormige valleien van voorheen V-vormige valleien.
Wanneer de gletsjer de sneeuwlijn bereikt, smelt hij en laat hij het meegevoerde puin achter, dat zo een eindmorene vormt. Wanneer het smeltwater in de vallei niet kan wegstromen door de eindmorene wordt er een morenemeer gevormd. Als dit niet het geval is gaat het smeltwater verder als een subglaciale stroom.

Definities:

Sneeuwlijn: De hoogte waarboven of de breedtegraad vanaf waar de grond gedurende het hele jaar door sneeuw wordt bedekt.

Firn: Korrelig soort sneeuw, die wit, ondoorzichtig, en samengeperst is. Het is in feite een overgangsvorm tussen sneeuw en ijs. Firn wordt boven de sneeuwlijn gevormd door herhaaldelijk smelten en bevriezen, en ook door het gewicht van de opgehoopte sneeuw die erop drukt, tot het gletsjerijs wordt.

Gletsjer: Een grote ijsmassa van korrelig ijs die is gemaakt van firn boven de sneeuwlijn. Deze ijsmassa beweegt heuvelafwaarts (stromend) door de zwaartekracht. Tijdens het stromen verandert zijn vorm en slijt hij het oppervlak met het puin (morene) dat hij vervoert, en vormt daarbij U-vormige valleien.

Ijsstroom

  • sneeuwlijn
  • sneeuw
  • firnbekken - Het gebied waar firn zich ophoopt.
  • morene - Puin dat door de gletsjer wordt vervoerd en opgehoopt.
  • smeltwater - Wordt losgelaten door het smelten van de gletsjer.
  • snuit - Het gebied waar de subglaciale stroom naar de oppervlakte komt.
  • eindmorene - Puin dat zich bij de snuit ophoopt.
  • glaciale stroom
  • grondmorene - Puin dat zich aan de voet van de gletsjer ophoopt; het formaat kan verschillen van minuscule stofdeeltjes van rotsen tot grote rotsblokken.
  • sneeuw
  • ijs
  • water

Animatie

  • sneeuw
  • firnbekken - Het gebied waar firn zich ophoopt.
  • morene - Puin dat door de gletsjer wordt vervoerd en opgehoopt.
  • eindmorene - Puin dat zich bij de snuit ophoopt.
  • glaciale stroom
  • grondmorene - Puin dat zich aan de voet van de gletsjer ophoopt; het formaat kan verschillen van minuscule stofdeeltjes van rotsen tot grote rotsblokken.

Resultaat van het opwarmende klimaat

  • sneeuwlijn
  • gletsjer - Een grote ijsmassa die zich langzaam door valleien heuvelafwaarts beweegt.
  • glaciale stroom - Een waterloop die bij de snuit wordt gevormd door het smelten.

Het smelten, ofwel het terugtrekken, van gletsjers is een fenomeen dat al honderden jaren bestaat, maar recentelijk is de snelheid ervan omhooggegaan. Na het einde van de Kleine IJstijd, die van de jaren 1530 tot de jaren 1850 duurde, was er een toename in de gemiddelde temperatuur op Aarde, die ervoor zorgde dat gletsjers zich terugtrokken. Van 1950–1980 was er een lichte afkoeling die ervoor zorgde dat de snelheid waarmee het smelten van de gletsjers afnam. Echter, sinds 1980 versnelt het broeikaseffect de snelheid waarmee de gletsjers zich terugtrekken weer.

Het broeikaseffect heeft een negatieve invloed op de leefomstandigheden en van mensen en de wereldwijde milieubalans. Landijs is het belangrijkste reservoir van zoetwater, maar door het smeltproces worden watervoorraaden, die nodig zijn voor landbouw- en drinkwater, schaars. Bepaalde diersoorten (bijv. zalm) die afhankelijk zijn van de watervoorraad van gletsjers, zouden kunnen uitsterven. Bovendien wordt er voor de 21e eeuw een stijging van 10 cm in de wereldwijde zeeniveaus voorspeld, die op de lange termijn een bedreiging kan vormen voor kustplaatsen.

De oorzaken van de terugtrekking van gletsjers zouden terug te leiden zijn naar het broeikaseffect, wat ontstaat door de toenemende hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer.

Landschapvormend effect

  • grondmorene - Puin dat zich aan de voet van de gletsjer ophoopt; het formaat kan verschillen van minuscule stofdeeltjes van rotsen tot grote rotsblokken.
  • U-vormige vallei - Een vallei met een kenmerkende vorm die door een gletsjer is uitgesleten.

Gesproken tekst

Een gletsjer is een grote ijsmassa die zich langzaam en voortdurend heuvelafwaarts beweegt. Gletsjers worden boven de sneeuwlijn gevormd, waar door regelmatige sneeuwval de sneeuw zich in verschillende lagen ophoopt. De bovenste laag smelt door de zon en het water sijpelt de onderlagen in, waar het bevriest. Dit korrelige ijs wordt firn genoemd.
Door de hoge druk wordt de lucht er uitgedrukt en wordt het korrelige firn dichter, op deze manier wordt het een harde, ijzige sneeuwlaag, of eigenlijk een laag gletsjerijs, die er blauw uitziet. Deze laag begint dan heuvelafwaarts te glijden, en vormt zo een gletsjer.

De gletsjer breekt onderweg stukken rots af, en sleept brokstukken met zich mee die morene worden genoemd. Het puin dat zich aan de voet van de gletsjer ophoopt heet grondmorene. De gletsjer slijt het rotslandschap langzaam uit, en maakt op deze manier U-vormige valleien van voorheen V-vormige valleien.
Wanneer de gletsjer de sneeuwlijn bereikt, smelt hij en laat hij het meegevoerde puin achter, dat zo een eindmorene vormt. Wanneer het smeltwater in de vallei niet kan wegstromen door de eindmorene wordt er een morenemeer gevormd. Als dit niet het geval is gaat het smeltwater verder als een subglaciale stroom.

Gerelateerde items

Fjord

Een fjord is een lange, smalle inham met steile wanden, ontstaan in een vallei die door gletsjerwerking is uitgesleten.

Glaciatie

De laatste IJstijd eindigde ongeveer 13.000 jaar geleden.

Gletsjer (basisniveau)

De lagen van gesteente worden door de drukkracht uit de zijrichting verkreukeld. De verkreukelde gebergten ontstaan op deze manier.

Het broeikaseffect

Het broeikaseffect wordt versterkt door menselijke activiteit en leidt tot opwarming van de aarde.

Boslagen

De opbouw van bossen in verschillende boslagen hangt van het type bos af.

De watercyclus (basisniveau)

Water op aarde is in een voortdurende staat van verandering. De watercyclus omvat processen zoals verdamping, neerslag, smelten en bevriezen.

Eolische processen in woestijnen

Wind speelt als exogene kracht een belangrijke rol bij woestijnvorming.

Het ontstaan van meren

Door endogene en exogene krachten of door menselijke activiteit kunnen er stilstaande watermassa's ontstaan op plaatsen waar het aardoppervlak verlaagd is.

Hoe vormen zeeën het aardoppervlak?

Zeewater, als exogene kracht, speelt een belangrijke rol bij de vorming van kustlijnen.

Hoogtezones

In bergachtige gebieden veranderen het klimaat, de bodemeigenschappen, de flora en fauna naarmate je hoger komt.

IJsbergen

Een ijsberg is een grote massa bevroren zoetwater die in de zee drijft.

Klimaatzones

De aarde is verdeeld in geografische en klimatologische zones, die resulteren in de zonering van de vegetatie.

Rivieren en landvormen

Rivieren spelen een belangrijke rol bij het vormen van het aardoppervlak: ze veroorzaken erosie, en ze transporteren en zetten sediment af.

Watervallen

Als een rivier over een steile helling stroomt, ontstaat er een waterval.

Zeestromingen

De thermohaliene circulatie is het wereldwijde systeem van zeestromingen, dat een grote invloed heeft op het klimaat op aarde.

Zeeën en baaien

De animatie geeft een samenvatting van de belangrijkste zeeën en zeegolven.

De levenswijze van Eskimo’s

Iglo's waren de karakteristieke woningen die Eskimo's bouwden die leven in het Noordpoolgebied.

Geiser

Een geiser is een bron die gekenmerkt wordt door een periodieke ontlading van water en stoom.

Plooiing (geavanceerd niveau)

Laterale drukkrachten zorgen ervoor dat rotsen zich plooien. Zo worden plooiingsgebergten gevormd.

Plooiing (gemiddeld niveau)

Laterale drukkrachten zorgen ervoor dat rotsen zich plooien. Zo worden plooiingsgebergten gevormd.

Verschuiving van de continenten in de loop van de geschiedenis van de aarde

De continenten van de aarde zijn continu in de loop van de geschiedenis van de aarde.

Added to your cart.