Adrenaline (geavanceerd niveau)

Adrenaline (geavanceerd niveau)

De adrenaline, ook wel epinefrine genoemd, wordt dor invloed van stress in ons lichaam geproduceerd. Ze speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van de vecht-of-vluchtreactie.

Biologie

Trefwoorden

adrenaline, epinefrine, stressvolle situatie, spanning, alarmreactie, hormoon, neurotransmitter, sympathische zenuwstelsel, bijniermerg, vaatvernauwing, vaatverwijding, catecholamine, bloedspiegel, homeostase, menselijk, Biologie

Gerelateerde items

Scènes

Alarm reactie

  • hersenen - Bloedvaten van de hersenen verwijden, waardoor de bloedstroom in de hersenen toeneemt.
  • hart - De hartspier trekt sterker en met een hogere frequentie samen. Het hartminuutvolume stijgt. Bloedvaten van het hart verwijden.
  • longen - Bronchioli verwijden, het ademminuutvolume neemt toe.
  • ogen - De pupillen verwijden.
  • spijsverteringskanaal - Bloedvaten van de darmen vernauwen: het bloed stroomt de skeletspieren in.
  • huid - De huid wordt bleek omdat de bloedvaten vernauwen: het bloed stroomt de skeletspieren in.
  • nieren - Bloedvaten van de nieren vernauwen, excretie processen vertragen: het bloed stroomt de skeletspieren in.
  • skeletspieren - De bloedstroom van de skeletspieren verhoogt. Glycogeen in de spieren wordt omgezet in glucose, waardoor de bloedsuikerspiegel stijgt.
  • lever - De lever speelt een centrale rol bij de opslag van glycogeen. Lever glycogeen wordt omgezet in glucose, waardoor de bloedsuikerspiegel stijgt.

Vaatvernauwing (α-receptor)

  • gladde spiercel
  • adrenaline - Ook bekend als epinefrine. Het is een stress-hormoon dat door de medulla van de bijnieren wordt afgegeven in reactie op de stimulering van het sympathisch zenuwstelsel. Het effect is vrijwel gelijk aan de werking van het sympathisch zenuwstelsel: activeert de alarmreactie beschreven door Walter Cannon, de zogenaamde vecht-of vlucht reactie.
  • α-receptor - Onze lichaamscellen bevatten alfa- of bèta-adrenaline receptoren. Bij binding aan alfareceptoren verhoogt adrenaline de calcium (Ca²⁺) concentratie. Bij binding aan bètareceptoren verhoogt het de cAMP-concentratie. De gladde spiercellen van de darmen bevatten alfareceptoren. Adrenaline veroorzaakt samentrekking van deze bloedvaten en daarmee de afname van de bloedstroom naar de darmen door verhoging van de Ca²⁺-concentratie. Adrenaline heeft een vergelijkbaar effect op de bloedvaten van de huid, dit is de reden waarom onze huid bleek wordt in stressvolle situaties.
  • G-eiwit - Een eiwit dat een belangrijke rol speelt bij signaaltransductieroutes. Van de 3 subeenheden, kan de alfa-subeenheid GTP binden en het doeleiwit activeren, wat in dit geval fosfolipase C is.
  • GDP - Guanosinedifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ADP, maar in plaats van adenine bevat het guanine.
  • GTP - Guanosinetrifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ATP, maar in plaats van guanine bevat het adenine. De binding activeert de alfa-subeenheid van het G-eiwit.
  • fosfolipase C - Een enzymeiwit dat het PIP2 molecuul in het celmembraan splitst, waardoor proteïne kinase C geactiveert wordt en Ca²⁺ wordt afgeggeven. Daarom treedt een metabole verandering op in de gladde spiercel, die samentrekt, waardoor de capillair vernauwt.
  • activering van proteïnekinase C en afgifte van Ca²⁺
  • contractie van de gladde spiercel
  • vaatvernauwing

Vaatverwijding (β-receptor)

  • gladde spiercel
  • adrenaline - Ook bekend als epinefrine. Het is een stress-hormoon dat door de medulla van de bijnieren wordt afgegeven in reactie op de stimulering van het sympathisch zenuwstelsel. Het effect is vrijwel gelijk aan de werking van het sympathisch zenuwstelsel: activeert de alarmreactie beschreven door Walter Cannon, de zogenaamde vecht-of vlucht reactie.
  • ß-receptor - Onze lichaamscellen bevatten alfa- of bèta-adrenaline receptoren. Bij binding aan bètareceptoren verhoogt adrenaline de cAMP-concentratie van cellen, wanneer gebonden aan alfareceptoren verhoogt het de calcium (Ca²⁺) concentratie. Gladde spiercellen van de bloedvaten die skeletspieren voorzien van bloed bevatten bètareceptoren. Adrenaline zorgt voor de verwijding van deze bloedvaten en daarmee voor de toename van bloedtoevoer in de skeletspieren door het verhogen van de cAMP-concentratie.
  • G-eiwit - Een eiwit dat een belangrijke rol speelt bij signaaltransductieroutes. Van de 3 subeenheden, kan de alfa-subeenheid GTP binden en het doeleiwit activeren, wat in dit geval adenylaatcyclase is.
  • GDP - Guanosinedifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ADP, maar in plaats van adenine bevat het guanine.
  • GTP - Guanosinetrifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ATP, maar in plaats van guanine bevat het adenine. De binding activeert de alfa-subeenheid van het G-eiwit.
  • adenylaatcyclase - Een enzym dat cAMP (cyclisch AMP) kan maken uit ATP. cAMP is een tweede boodschapper in vele belangrijke biologische processen.
  • ATP
  • ontspanning van de gladdespiercel
  • vaatverwijding

Stijging van de bloedsuikerspiegel (β-receptor)

  • afgifte van glucose - In stressvolle situaties stijgt de bloedsuikerspiegel. Cellen produceren de meeste ATP door het afbreken van glucose, dus de stijgende bloedglucosespiegel dekt de energiebehoefte van de vecht- of vluchtreactie beschreven door Walter Cannon.
  • adrenaline - Ook bekend als epinefrine. Het is een stress-hormoon dat door de medulla van de bijnieren wordt afgegeven in reactie op de stimulering van het sympathisch zenuwstelsel. Het effect is vrijwel gelijk aan de werking van het sympathisch zenuwstelsel: activeert de alarmreactie beschreven door Walter Cannon, de zogenaamde vecht-of vlucht reactie.
  • ß-receptor - Onze lichaamscellen bevatten alfa- of bèta-adrenaline receptoren. Bij binding aan bètareceptoren verhoogt adrenaline de cAMP-concentratie van cellen, wanneer gebonden aan alfareceptoren verhoogt het de calcium (Ca²⁺) concentratie. Levercellen bevatten bètareceptoren. Adrenaline zorgt voor de afgifte van glucose uit de lever door het verhogen van de cAMP concentratie.
  • G-eiwit - Een eiwit dat een belangrijke rol speelt signaaltransductieroutes. Van de 3 subeenheden, kan de alfa-subeenheid GTP binden en het doeleiwit activeren, wat in dit geval adenylaatcyclase is.
  • GDP - Guanosinedifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ADP, maar in plaats van adenine bevat het guanine.
  • GTP - Guanosinetrifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ATP, maar in plaats van guanine bevat het adenine. De binding activeert de alfa-subeenheid van het G-eiwit.
  • adenylaatcyclase - Een enzym dat cAMP (cyclisch AMP) kan maken uit ATP. cAMP is een tweede boodschapper in vele belangrijke biologische processen.
  • ATP
  • cAMP - Cyclisch AMP. Een belangrijke tweede boodschapper die, onder andere, het effect van adrenaline bemiddelt (eerste messenger, neurotransmitter) in de cel. Het wordt gesynthetiseerd vanuit ATP door de splitsing van de 2 fosfaatgroepen. De enige fosfaatgroep bindt aan de 5e en 3e koolstofatomen van ribose, waardoor een cyclische structuur vormt.
  • proteïnkinase A - Kinase enzymen kunnen andere enzymeiwitten fosforyleren, wat hun activiteit beïnvloedt.
  • glycogeenfosforylase - Glycogeen is een polymeer van glucosemoleculen. Glycogeenfosforylase kan het omzetten in glucosefosfaat.
  • glycogeen - Glycogeen is een polymeer van glucosemoleculen: het is een van de belangrijkste vormen van energieopslag in het lichaam naast vetten. Het wordt voornamelijk in de lever en skeletspieren gevonden. Het kan snel worden omgezet in glucose om de bloedsuikerspiegel te verhogen en lichaamscellen van energie te voorzien.
  • glucosefosfaat
  • fosfatase - Een enzym dat glucosefosfaat kan omzetten in glucose door verwijdering van de fosfaatgroep van het molecuul.
  • glucose - In stressvolle situaties stijgt de bloedsuikerspiegel. Cellen produceren de meeste ATP door het afbreken van glucose, dus de stijgende bloedglucosespiegel dekt de energiebehoefte van de vecht- of vluchtreactie beschreven door Walter Cannon.
  • glucose transporter - Glucosemoleculen kunnen niet zelf door het lipidemembraan, hun transport wordt mogelijk gemaakt door eiwitmoleculen.

De werking van β-blokkers

  • hartspiercel
  • adrenaline - Het bindt aan de bètareceptoren van de hartspier. Het verhoogt de activiteit van de hartspier. Het effect kan fataal zijn in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld na een hartaanval. Zijn binding aan receptoren kan worden geremd door bètablokkers.
  • ß-blokker - Inhibeert de binding van adrenaline bètareceptoren. In het hart zijn verschillende types van bètareceptoren, het ß₁ type is typisch. Sommige bètablokkers zijn selectieve ß₁ receptor-remmers, waardoor hun effecten zijn gericht op het hart. Er zijn echter ook niet-selectieve bètablokkers die alle bètareceptoren in het lichaam beïnvloeden.
  • ß-receptor - Bij binding initieert adrenaline een signaaltransductieroute in de hartspiercel. Dit verhoogt de activiteit van de hartspier. Bètablokkers kunnen de binding van adrenaline remmen. In het hart zijn verschillende types bètareceptoren, het ß₁ type is typisch.
  • de hartslag vertraagt

Animatie

  • hersenen - Bloedvaten van de hersenen verwijden, waardoor de bloedstroom in de hersenen toeneemt.
  • hart - De hartspier trekt sterker en met een hogere frequentie samen. Het hartminuutvolume stijgt. Bloedvaten van het hart verwijden.
  • longen - Bronchioli verwijden, het ademminuutvolume neemt toe.
  • ogen - De pupillen verwijden.
  • spijsverteringskanaal - Bloedvaten van de darmen vernauwen: het bloed stroomt de skeletspieren in.
  • huid - De huid wordt bleek omdat de bloedvaten vernauwen: het bloed stroomt de skeletspieren in.
  • nieren - Bloedvaten van de nieren vernauwen, excretie processen vertragen: het bloed stroomt de skeletspieren in.
  • skeletspieren - De bloedstroom van de skeletspieren verhoogt. Glycogeen in de spieren wordt omgezet in glucose, waardoor de bloedsuikerspiegel stijgt.
  • lever - De lever speelt een centrale rol bij de opslag van glycogeen. Lever glycogeen wordt omgezet in glucose, waardoor de bloedsuikerspiegel stijgt.
  • gladde spiercel
  • adrenaline - Ook bekend als epinefrine. Het is een stress-hormoon dat door de medulla van de bijnieren wordt afgegeven in reactie op de stimulering van het sympathisch zenuwstelsel. Het effect is vrijwel gelijk aan de werking van het sympathisch zenuwstelsel: activeert de alarmreactie beschreven door Walter Cannon, de zogenaamde vecht-of vlucht reactie.
  • α-receptor - Onze lichaamscellen bevatten alfa- of bèta-adrenaline receptoren. Bij binding aan alfareceptoren verhoogt adrenaline de calcium (Ca²⁺) concentratie. Bij binding aan bètareceptoren verhoogt het de cAMP-concentratie. De gladde spiercellen van de darmen bevatten alfareceptoren. Adrenaline veroorzaakt samentrekking van deze bloedvaten en daarmee de afname van de bloedstroom naar de darmen door verhoging van de Ca²⁺-concentratie. Adrenaline heeft een vergelijkbaar effect op de bloedvaten van de huid, dit is de reden waarom onze huid bleek wordt in stressvolle situaties.
  • G-eiwit - Een eiwit dat een belangrijke rol speelt bij signaaltransductieroutes. Van de 3 subeenheden, kan de alfa-subeenheid GTP binden en het doeleiwit activeren, wat in dit geval fosfolipase C is.
  • GDP - Guanosinedifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ADP, maar in plaats van adenine bevat het guanine.
  • GTP - Guanosinetrifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ATP, maar in plaats van guanine bevat het adenine. De binding activeert de alfa-subeenheid van het G-eiwit.
  • fosfolipase C - Een enzymeiwit dat het PIP2 molecuul in het celmembraan splitst, waardoor proteïne kinase C geactiveert wordt en Ca²⁺ wordt afgeggeven. Daarom treedt een metabole verandering op in de gladde spiercel, die samentrekt, waardoor de capillair vernauwt.
  • activering van proteïnekinase C en afgifte van Ca²⁺
  • contractie van de gladde spiercel
  • vaatvernauwing
  • gladde spiercel
  • adrenaline - Ook bekend als epinefrine. Het is een stress-hormoon dat door de medulla van de bijnieren wordt afgegeven in reactie op de stimulering van het sympathisch zenuwstelsel. Het effect is vrijwel gelijk aan de werking van het sympathisch zenuwstelsel: activeert de alarmreactie beschreven door Walter Cannon, de zogenaamde vecht-of vlucht reactie.
  • ß-receptor - Onze lichaamscellen bevatten alfa- of bèta-adrenaline receptoren. Bij binding aan bètareceptoren verhoogt adrenaline de cAMP-concentratie van cellen, wanneer gebonden aan alfareceptoren verhoogt het de calcium (Ca²⁺) concentratie. Gladde spiercellen van de bloedvaten die skeletspieren voorzien van bloed bevatten bètareceptoren. Adrenaline zorgt voor de verwijding van deze bloedvaten en daarmee voor de toename van bloedtoevoer in de skeletspieren door het verhogen van de cAMP-concentratie.
  • G-eiwit - Een eiwit dat een belangrijke rol speelt bij signaaltransductieroutes. Van de 3 subeenheden, kan de alfa-subeenheid GTP binden en het doeleiwit activeren, wat in dit geval adenylaatcyclase is.
  • GDP - Guanosinedifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ADP, maar in plaats van adenine bevat het guanine.
  • GTP - Guanosinetrifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ATP, maar in plaats van guanine bevat het adenine. De binding activeert de alfa-subeenheid van het G-eiwit.
  • adenylaatcyclase - Een enzym dat cAMP (cyclisch AMP) kan maken uit ATP. cAMP is een tweede boodschapper in vele belangrijke biologische processen.
  • ATP
  • ontspanning van de gladdespiercel
  • vaatverwijding
  • afgifte van glucose - In stressvolle situaties stijgt de bloedsuikerspiegel. Cellen produceren de meeste ATP door het afbreken van glucose, dus de stijgende bloedglucosespiegel dekt de energiebehoefte van de vecht- of vluchtreactie beschreven door Walter Cannon.
  • adrenaline - Ook bekend als epinefrine. Het is een stress-hormoon dat door de medulla van de bijnieren wordt afgegeven in reactie op de stimulering van het sympathisch zenuwstelsel. Het effect is vrijwel gelijk aan de werking van het sympathisch zenuwstelsel: activeert de alarmreactie beschreven door Walter Cannon, de zogenaamde vecht-of vlucht reactie.
  • ß-receptor - Onze lichaamscellen bevatten alfa- of bèta-adrenaline receptoren. Bij binding aan bètareceptoren verhoogt adrenaline de cAMP-concentratie van cellen, wanneer gebonden aan alfareceptoren verhoogt het de calcium (Ca²⁺) concentratie. Levercellen bevatten bètareceptoren. Adrenaline zorgt voor de afgifte van glucose uit de lever door het verhogen van de cAMP concentratie.
  • G-eiwit - Een eiwit dat een belangrijke rol speelt signaaltransductieroutes. Van de 3 subeenheden, kan de alfa-subeenheid GTP binden en het doeleiwit activeren, wat in dit geval adenylaatcyclase is.
  • GDP - Guanosinedifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ADP, maar in plaats van adenine bevat het guanine.
  • GTP - Guanosinetrifosfaat. De structuur is vergelijkbaar met die van ATP, maar in plaats van guanine bevat het adenine. De binding activeert de alfa-subeenheid van het G-eiwit.
  • adenylaatcyclase - Een enzym dat cAMP (cyclisch AMP) kan maken uit ATP. cAMP is een tweede boodschapper in vele belangrijke biologische processen.
  • ATP
  • cAMP - Cyclisch AMP. Een belangrijke tweede boodschapper die, onder andere, het effect van adrenaline bemiddelt (eerste messenger, neurotransmitter) in de cel. Het wordt gesynthetiseerd vanuit ATP door de splitsing van de 2 fosfaatgroepen. De enige fosfaatgroep bindt aan de 5e en 3e koolstofatomen van ribose, waardoor een cyclische structuur vormt.
  • proteïnkinase A - Kinase enzymen kunnen andere enzymeiwitten fosforyleren, wat hun activiteit beïnvloedt.
  • glycogeenfosforylase - Glycogeen is een polymeer van glucosemoleculen. Glycogeenfosforylase kan het omzetten in glucosefosfaat.
  • glycogeen - Glycogeen is een polymeer van glucosemoleculen: het is een van de belangrijkste vormen van energieopslag in het lichaam naast vetten. Het wordt voornamelijk in de lever en skeletspieren gevonden. Het kan snel worden omgezet in glucose om de bloedsuikerspiegel te verhogen en lichaamscellen van energie te voorzien.
  • glucosefosfaat
  • fosfatase - Een enzym dat glucosefosfaat kan omzetten in glucose door verwijdering van de fosfaatgroep van het molecuul.
  • glucose - In stressvolle situaties stijgt de bloedsuikerspiegel. Cellen produceren de meeste ATP door het afbreken van glucose, dus de stijgende bloedglucosespiegel dekt de energiebehoefte van de vecht- of vluchtreactie beschreven door Walter Cannon.
  • glucose transporter - Glucosemoleculen kunnen niet zelf door het lipidemembraan, hun transport wordt mogelijk gemaakt door eiwitmoleculen.
  • hartspiercel
  • adrenaline - Het bindt aan de bètareceptoren van de hartspier. Het verhoogt de activiteit van de hartspier. Het effect kan fataal zijn in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld na een hartaanval. Zijn binding aan receptoren kan worden geremd door bètablokkers.
  • ß-blokker - Inhibeert de binding van adrenaline bètareceptoren. In het hart zijn verschillende types van bètareceptoren, het ß₁ type is typisch. Sommige bètablokkers zijn selectieve ß₁ receptor-remmers, waardoor hun effecten zijn gericht op het hart. Er zijn echter ook niet-selectieve bètablokkers die alle bètareceptoren in het lichaam beïnvloeden.
  • ß-receptor - Bij binding initieert adrenaline een signaaltransductieroute in de hartspiercel. Dit verhoogt de activiteit van de hartspier. Bètablokkers kunnen de binding van adrenaline remmen. In het hart zijn verschillende types bètareceptoren, het ß₁ type is typisch.
  • de hartslag vertraagt

Gesproken tekst

Menselijke homeostase, oftewel de dynamische stabiliteit van de interne condities van het lichaam, kan bedreigd worden door een aantal factoren. In zo´n situatie wordt een stressresponse geproduceerd als reactie op de stimulatie van het zenuwstelsel en het hormoonsysteem. Deze reactie helpt gevaar te vermijden en homeostase te behouden.

In een stressvolle situate wordt het sympatische zenuwstelsel geactiveerd, dat de afgifte van een hormoon genaamd adrenaline stimuleert, ook wel epinefrine genoemd, door de adrenal medulla.

Het gecombineerde effect van adrenaline en het sympatisch zenuwstelsel leiden tot een vecht-of-vlucht reactie. De belangrijkste symptomen hiervan zijn: het verwijden van de pupillen, een toegenomen hartslag en hartminuutvolume, een afgifte van glucose aan het vloed vanuit de lever en skeletspieren wat zort voor een toename van het glucoseniveau van het bloed, een verwijding van de bloedvaten in de hersenen en het hart, een samentrekking van de bloedvaten in de darmen, nieren en huid.

De gladde spiervezels in de bloedvaten van verschillende organismen bevatten ofwel alfa- ofwel bèta-adrenaline receptoren.
Als adrenaline bindt aan de alfareceptoren trekken de bloedvaten samen, wanneer gebonden aan bètareceptoren verwijdt het de bloedvaten. De gladde spiervezels in onze darmen, nieren en huid bevat meestal alfareceptoren. Als de adrenaline gebonden is activeert de alfareceptor het G-eiwit, dat uit drie subeenheden bestaat. De alfa-subeenheid zet GDP om in GTP en activeert daarna het fosfolipase C enzym. Fosfolipase C splitst het PIP2, het fosfoinositol difosfaat molecuul, in IP3 en DAG, oftewel, inositol trifosfaat en diacylglycerol. IP3 zorgt dat het endoplasmatisch reticulum calciumionen vrijgeeft, en DAG activeert het protein kinase C enzym. Calciumionen en protein kinase C hebben het gezamelijke effect van het samentrekken van gladde spiercellen, samentrekken van bloedvaten en verminderen van bloedtoevoer naar organen.

Het gladde spierweefsel in ons hart, brein en de bloedvaten bevat meestal bètareceptoren. Daarom is de bloedtoevoer naar deze organen groter in geval van alarmreactie. Adrenaline bindt aan de bètareceptoren in de gladde spiercellen van bloedvaten. Dit activeert het G-eiwit: de alfa-subeenheid vervangt GDP met GTP en activeert een enzym genaamd adenylate cyclase. Dit enzym zet ATP om in cyclisch AMP, ook bekend als cAMP. Dit resulteert in het verwijden van bloedavaten en daarmee de toename van bloedtoevoer naar de organen.

Omdat adrenaline zorgt voor het samentrekken van sommige bloedvaten en verwijden van andere, stuurt het als het ware bloed naar de skeletspieren, het hart en de hersenen.

Als gevolg van adrenaline stijgt de bloedglucosespiegel waarmee energie wordt geleverd aan de spieren, het hart en de hersenen. Glucose wordt opgeslagen in polymeervorm, als glycogeen, voornamelijk in de lever en skeletspieren. Dit is de snelste bron van glucose in het lichaam.

De bètareceptoren in levercellen binden adrenaline. Daarna activeert de alfa subeenheid van het G-eiwit adenylate cyclase, wat cyclisch AMP maakt. cAMP activeert het protein kinase A enzym. Deze fosforyleert en activeert daarmee het glycogeen fosforilase enzym, dat de afgifte van glucose fosfaten uit glycogeen catalyseert. De fosfaatgroepen in het glucose fosfaat molecuul worden verwijderd door een enzym, en glucose wordt afgegeven aan het bloed.

De hartspier bevat een grote hoeveelheid van het subtype van de bètareceptor, de bèta-1 receptor. Omdat adrenaline het hart stimuleert door deze receptor kunnen medicijnen bekend als bètablokkers gebruikt worden om de belasting op het hart te verlagen. Er zijn selectieve bèta-1 blokkers, maar er zijn er ook die werken op alle bètareceptoren. Het gebruik van bètablokkers is misschien nodig bij hartaandoeningen of hoge bloeddruk, of na een hartaanval, om de hartspier te doen ontspannen.

Gerelateerde items

De endocriene klieren

De endocriene klieren produceren hormonen die in het bloed komen.

Het hart

Het hart is de centrale pomp van de bloedsomloop die tijdens ons leven miljarden keren klopt.

Pijnreflex

De pijnreflex is een spinale reflex die helpt om het lichaam van een potentieel schadelijke pijnprikkel weg te halen.

De urinewegen

De urinewegen zorgen voor de verwijdering van schadelijke en nutteloze materialen uit het lichaam.

Hartaanval

Een hartaanval treedt op wanneer een kransslagader geblokkeerd wordt. Het is een van de meest voorkomende doodsoorzaken.

Huidlagen

De huid fungeert als omhulsel van ons lichaam. De drie belangrijkste lagen ervan zijn de opperhuid, de lederhuid en het onderhuidse weefsel.

Zenuwstelsel

Het centrale zenuwstelsel (CZS) bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Het perifere zenuwstelsel (PZS) bestaat uit zenuwen en zenuwknopen.

Added to your cart.